Storingen verhelpen
Oorzaak | Verhelpen |
|---|---|
De pomp kan niet worden ingeschakeld of schakelt automatisch uit (statusbalk rood). | |
De accu is leeg of beschadigd. | Laad of vervang de accu. |
Pomp of accu zijn oververhit. | Laat de pomp en accu afkoelen voordat u de pomp weer inschakelt. Controleer of de pomp wordt overbelast: de slang op de uitloop (1) mag niet verstopt zijn, aanzuig- en opvoerhoogte mogen niet te hoog zijn. |
De impeller is geblokkeerd. | Reinig indien nodig de impeller (20) en het pomphuis. Vervang een defecte impeller. |
De motor is defect. | Laat de pomp door een Bosch-klantenservice controleren. |
Er wordt te weinig water getransporteerd. | |
Een van de slangen is verstopt of beschadigd. | Controleer of beide slangen intact en niet verstopt zijn. Verwijder verstoppingen of vervang beschadigde slangen. |
Aanzuighoogte of opvoerhoogte is te hoog. | Zet de pomp indien mogelijk zodanig neer dat het hoogteverschil tussen pomp, waterinnamepunt en het hoogste punt van de uitloopslang zo gering mogelijk is. |
De slang is ongeschikt (bijv. diameter te gering, slangweefsel te instabiel). | Gebruik een stabiele slang met een diameter van minimaal 19 mm. |
Een slangaansluiting lekt. | Gebruik alleen slangen met schroefdraad G 3/4". Zorg ervoor dat een intacte en geschikte platte afdichtingsring tussen slang en slangaansluiting van de pomp is geplaatst en dat de slangen er correct zijn opgeschroefd. |
De impeller is versleten. | Vervang de impeller (20) en de afdichtingsring (21). |
Het deksel van het pomphuis is niet dicht. | Zorg ervoor dat de afdichtingsring (21) aanwezig, onbeschadigd en juist gemonteerd is. Draai de 4 schroeven van het deksel (15) handvast aan. |